Luchtwachters

De Panne, 28 mei 1940.
‘Na ’t eten lopen we wat op en neer. Opeens horen we met een donderend lawaai vliegtuigen op ons afkomen, met een angstaanjagend gehuil storten ze zich naar beneden en ontdoen zich daar van de vernielingaanrichtende bommen. Een van de bommen scheurt de aarde open juist op de plaats waar zich enkele manschappen verscholen hebben. […] De gewonden antwoorden niet meer op de gestelde vragen. De vinder bidt hen daarom de gebeden der Stervenden voor.’

In mei 1940 werd een groep argeloze Brabantse vrijwilligers van de ‘Luchtwachtpost Alphen’ op de fiets naar België gestuurd en op noodlottige wijze meegesleurd in de chaos en willekeur van de eerste oorlogsweken. Een relaas over plichtsbetrachting en postduiven, kameraadschap en knulligheid.

Toen er nog geen radar bestond, vertrouwde het leger voor de bewaking van het Nederlandse luchtruim nog op de ogen en oren van gewone mensen. Vanaf het hoogste punt van het dorp speurden luchtwachters onafgebroken de hemel af, alert op bewegingen of geluiden van vliegtuigen. In geval van ‘neutraliteitsschendingen’ moest er onverwijld worden getelefoneerd met het hoofdluchtwachtbureau, waarbij indien mogelijk aantal, nationaliteit, type, vliegrichting en vlieghoogte van de waargenomen toestellen moesten worden doorgegeven. Deze gegevens werden ook op een formulier genoteerd. Signaleren, rapporteren en registreren; de luchtwachters waren voor het leger een soort stadswachten avant la lettre.
    Bijzondere vaardigheden of een bovengemiddelde fysieke conditie waren voor de taken niet vereist, en omdat voor waarnemingen in het gehele land veel mensen nodig waren, met name in de kust- en grensregio’s, had het toenmalige Ministerie van Oorlog uit kostenoverwegingen besloten deze taak door vrijwilligers te laten uitvoeren. Aldus werd in 1922 het ‘Vrijwillig Landstormkorps Luchtwachtdienst’ opgericht. Vrijwilligers werden geworven door reserve-officieren die daarvoor stad en land afreisden met wervende praatjes over trots en vaderlandsliefde. Uiteindelijk bereikte het korps een omvang van ca. 4000 man, verdeeld over 146 luchtwachtposten. De meeste vrijwilligers waren al wat ouder, hetgeen niet bezwaarlijk was, want ‘de dikwijls lange, eentonige wachten zijn een weinig gewaardeerde bezigheid voor jongelui’. Men heeft zelfs overwogen meisjes en vrouwen voor het korps te recruteren.
    In vredestijd was er uiteraard geen noodzaak het luchtruim continu te observeren en de luchtwachtposten leidden een sluimerend bestaan. Enkele malen per jaar werd er geoefend, doorgaans op zaterdagmiddag, waarbij de Nederlandse luchtmacht een of twee toestellen liet overvliegen zodat de luchtwachters hun waarneming konden trainen. Maar ‘zelfs dan was er gewoonlijk weinig gelegenheid activiteiten te ontplooien, zulks in verband met het kleine aantal vliegtuigen dat zich vertoonde. ’t Gebeurde wel, dat een luchtwachtpost in het geheel geen vliegbezoek ontving.’
    De luchtwachtpost Alphen richtte de blik naar boven vanaf het dak van de leerlooierij van Jan Vaarten. In deze fabriek was bij wijze van hoofdkwartier een klein kantoortje ingericht, waar zich een telefoon en meldingsformulieren bevonden. Aan de wand hingen afbeeldingen van de verschillende vliegtuigtypen die men geacht werd te kennen. Voor een oefening ontving de groep een rijksdaalder, ‘welk bedrag opgesoupeerd werd in de vorm van bier en sigaren of iets dergelijks’ in het plaatselijke café De Stad Londen. Uitbater van dit café was August Pijnenburg, een van de leden van de groep. Met name middenstanders uit de dorpskern hadden zich aangesloten; bakkers en molenaars, een onderwijzer, een schilder, een melkboer, een slager. De boeren uit de omgeving hadden er geen tijd voor.
    De groep had het karakter van een gezelligheidsvereniging. Het betrof een ongewapende dienst, al droeg men wel een uniform: veldgrijs, met een verrekijker als kraagembleem. De oefeningen waren een welkome afwisseling voor de mannen van het dorp, waar verder weinig vertier te vinden was, en velen zullen het interessant hebben gevonden kennis op te doen over vliegtuigen, die nieuwe wonderen der techniek. Of het lidmaatschap van de luchtwachtpost status gaf is echter twijfelachtig. Bij de reguliere militairen stond het in weinig aanzien en een luchtwachter schreef dat een van de moeilijkheden was ‘dat wij door de dorpsjeugd werden nagejouwd toen wij eens voor een oefening op den toren klauterden en met een twintigtal burger-vrijwilligers twee uur lang hadden staan uitkijken om de verschijning van één tweedekker per telefoon naar het hoofdluchtwachtbureau te melden.’
    De vrijwilligers tekenden een zogenaamde verbandakte, die jaarlijks stilzwijgend werd verlengd indien men niet één maand van te voren opzegde. Een belangrijke clausule was dat het in tijden van mobilisatie niet mogelijk was de verbintenis te verbreken. De mobilisatie van dit korps vond plaats in april 1939, ruim voordat in augustus de reguliere legeronderdelen werden gemobiliseerd, en meer dan een jaar voordat Nederland daadwerkelijk bij de oorlog betrokken raakte.
    In het hele land volgde een extra wervingsinspanning om alle luchtwachtposten volledig bemand te krijgen. Juist in deze periode sloten zich nog vele nieuwe luchtwachters aan. Voor velen zullen plichtsbesef en vaderlandsliefde belangrijke drijfveren zijn geweest, al waren er ook jongeren die bij de oproep van landstrijdkrachten buiten schot hoopten te blijven. De werkzaamheden van de Luchtwachtdienst werden immers verricht in de eigen woonplaats, en men verwachtte dus in geval van oorlog dichtbij eigen huis en haard te kunnen blijven.
    Vanaf het moment dat in september 1939 de oorlog in de omringende landen daadwerkelijk uitbrak, functioneerde de Luchtwachtdienst min of meer zoals in oorlogstijd de bedoeling was. De posten waren bemand, en er viel af en toe daadwerkelijk wat te rapporteren, want de Duitse en Engelse vliegtuigen namen over en weer niet de moeite om het neutrale Nederland heen te vliegen. De vrijwilligers trotseerden nachtenlang de winterkou op kerktorens, hoge daken en op heuvels gebouwde uitkijkposten.
    Op vrijdag 10 mei 1940 stonden de telefoons op de hoofdluchtwachtbureaus roodgloeiend. Vanuit het oosten kwamen honderden Duitse toestellen de grens over; Nederland was in oorlog. De verwachting in hun eigen woonplaats te kunnen blijven bleek voor vele luchtwachters al snel een illusie. De bakkers en groentemannen van middelbare leeftijd waren geen burger-vrijwilligers meer, maar bleken onder militair gezag te staan. Net als de gewone militairen kregen ze de opdracht om voor het oprukkende front uit naar het westen te trekken en daar te hergroeperen of nieuwe orders af te wachten.
    Op zondag 12 mei, eerste Pinksterdag, krijgen de luchtwachters uit Alphen kort na middernacht opdracht zich te verzamelen. De telefoonverbinding met het hoofdwachtbureau in Breda is verbroken, er valt vanuit Alphen dus niets meer te melden. Ze krijgen orders op hun eigen fiets naar Breda te vertrekken. Het begin van een bizarre reeks omzwervingen, waarvan een van hen, Pierre van den Hout, in een dagboek verslag heeft gedaan.
    Die eerste nacht valt de groep al snel uiteen. De ene helft verdwaalt in het bos bij Chaam en wordt door een toevallig passerende kapitein terug naar huis gestuurd, de andere helft krijgt onderweg van weer een andere officier orders de koers te verleggen naar Hoogerheide. Twee van hen, August Pijnenburg en Frans Horevoorts die ‘door bandenpech waren achtergesukkeld’, raken de groep kwijt maar komen die dag wel als enigen in Hoogerheide aan. In dit dorp vlakbij de vliegbasis Woensdrecht nemen zij vanaf de plaatselijke kerktoren nog minimaal twee nachten de luchtwachtdienst waar. Pijnenburg maakt van de gelegenheid gebruik om op 13 mei drie van zijn kinderen te bezoeken op een kostschool in het nabijgelegen Huijbergen. Pijnenburg, op dat moment 47 jaar, heeft grote twijfels. Zijn vrouw is twee jaar daarvoor gestorven en zijn zeven kinderen zullen als wezen opgroeien indien hem iets overkomt. Uiteindelijk overtuigen de katholieke broeders die de kostschool bestieren hem ervan dat hij geen keus heeft; als hij weigert loopt hij de kans de kogel te krijgen wegens desertie. In die dagen waren berichten in de krant verschenen dat een dergelijk standrechtelijk vonnis in Breda in enkele gevallen daadwerkelijk was voltrokken. Op 14 mei komt Pijnenburg in de ochtend een laatste maal langs op de kostschool om afscheid te nemen van zijn kinderen. Daarna fietsen hij en Horevoorts verder richting Zeeuws-Vlaanderen.

In Sas van Gent zien ze hun dorpsgenoten weer, die na een overnachting in een schuur bij Meer, via Wuustwezel en Putte naar Antwerpen zijn gefietst. De chaos onderweg was groot; de weg van Antwerpen naar Breda was vol met vluchtelingen uit Breda op weg naar het zuiden en Franse troepen die noordwaarts trokken. Meer dan eens moest er dekking worden gezocht voor Duitse vliegtuigen, waarbij ‘iedere fiets wordt gecamoufleerd met takken en dergelijke’. Christ van Gorp had een stel duiven bij zich, waarvan er een werd gelost met het bericht: ‘De Alphense luchtwachters maken het allen goed en zijn in Antwerpen.’ In Antwerpen was er in ‘een leutig café’ tijd voor een ‘lekker potteke bier’ en een maaltijd in een hotel, voordat zij naar Hulst in Zeeuws-Vlaanderen werden gestuurd. Hulst was bezet door de Fransen en de luchtwachters werden in het donker doorgestuurd naar Axel. ‘Wij denken hierbij aan het feit dat Sjef van Puijenbroek op zijn fiets zat te slapen en dat hij bijna in het water reed.’ Op 14 mei in de ochtend worden de ‘blinkende delen van de fietsen’ grijs geverfd en rijden ze door naar Sas van Gent.
    Op 15 mei gaat het nog verder westwaarts, naar het grensdorpje Retranchement nabij Sluis. Zeeuws-Vlaanderen is het laatste stukje Nederland dat nog niet is bezet; op deze dag wordt ook Prins Bernard in Sluis gesignaleerd. De dag ervoor is Rotterdam gebombardeerd en in de loop van de dag kondigt het Nederlandse opperbevel de capitulatie af. Desondanks vechten de Nederlandse en Franse troepen in Zeeland onder Frans commando verder om de Duitse opmars te vertragen en de Franse terugtocht naar het zuiden te dekken.
    Donderdag 16 mei. Terwijl de luchtwachters in de rest van Nederland allang weer naar huis zijn gestuurd, moeten de mannen uit Alphen om 10 uur ’s ochtends op appel verschijnen, waarna ze ‘theorie, geweer en exercitie krijgen onder de leiding van een Janus uit Roosendaal’. Het is hun allereerste militaire training. Een dag later moeten ze zelfs weer luchtwachtdiensten draaien; ze krijgen het dorp Groede toegewezen. Ze zien nog net dat er drie vliegtuigen worden neergeschoten bij Breskens, dan volgt al snel het bevel dat ook Groede moet worden ontruimd. Op een boerderij in de buurt van Retranchement proberen ze nog enkele uren te slapen, maar midden in de nacht ‘bestijgen ze het fietske’ en worden de grens over gestuurd naar Damme. Via Oostende en Oudenburg fietsen ze naar de West-Vlaamse kustplaats De Panne, net ten noorden van Duinkerken, waar ze op 19 mei aankomen. Ze zijn dan een week van huis en hebben met hun bepakking, geweren en postduiven ongeveer 500 kilometer gefietst.
    Dat de luchtwachters deze kant op worden gestuurd, is een gevolg van het plan van de Commandant in Zeeland, de schout-bij-nacht Van der Stad, om alle Nederlandse troepen in de regio, ongeveer 2000 man, te verzamelen in Duinkerken, wellicht met de bedoeling ze daar te laten aansluiten bij andere geallieerden. De chaos rond Duinkerken is echter enorm. Door de razendsnelle Duitse opmars in zowel België als Noord-Frankrijk zitten honderdduizenden Franse, Engelse en Belgische soldaten er hopeloos in de val. Om onduidelijke redenen drukken de Duitsers niet door, maar geeft Hitler in eigen persoon zijn legers de opdracht halt te houden, waardoor de geallieerden de kans krijgen ca. 350 000 Franse en Britse militairen naar Engeland te evacueren, waarbij ze onophoudelijk worden bestookt door de Luftwaffe.
    Was de bevelstructuur in Zeeland voor de Nederlanders al zeer onduidelijk, in België is deze vrijwel geheel afwezig. De Alphenaren krijgen hun orders van een kapitein, maar hoe die op zijn beurt aan orders komt is onduidelijk. Omdat Nederland tot 9 mei is blijven geloven in de eigen neutraliteit, is er in geen enkele samenwerking met de overige geallieerden voorzien. ‘Onbeschrijflijk was de onderweg en daar heersende verwarring. Er was in De Panne geen enkele bevoegde autoriteit te vinden en de daar aangespoelde Nederlandse subalterne officieren moesten maar zien dat zij aanwijzingen kregen.’
    De Fransen zitten niet te wachten op de Nederlanders en weten niet wat ze met hen moeten beginnen. De luchtwachters uit Alphen nemen op 19 mei hun intrek in Villa Donny, een leegstaand pension aan het strand van De Panne. Ze ontmoeten luchtwachters uit Helmond, die verder trekken naar Duinkerken. Ook de Alphenaren krijgen te horen dat ze de volgende ochtend vroeg zullen vertrekken om in Duinkerken scheep te gaan. Over het doel van die reis maakt Van den Hout een raadselachtige aantekening: ‘We zullen over de Franse grens gaan en ons begeven naar Zuid-Frankrijk om ons verdienstelijk te maken in de wijngaarden.’ ’s Morgens vroeg staan zij ‘gepakt en gezakt’ klaar, maar op het laatste moment krijgen ze te horen dat de grens gesloten blijft en ze niet kunnen vertrekken. ‘Van menigeen wordt een zucht van verlichting gehoord.’
    Zo blijft hen een scheepsramp bespaard. Die 20ste mei worden 1430 Nederlandse militairen ingescheept op de vrachtboot Pavon, met een onduidelijke bestemming in het westen van Frankrijk. De mannen staan elf uur in het ruim te wachten voordat de boot vertrekt. Een uur na de afvaart uit Duinkerken wordt de boot midscheeps getroffen door een vliegtuigbom. Tachtig manschappen komen om in de brand die ontstaat, eenzelfde aantal springt in paniek overboord en verdrinkt. De boot weet bij Calais de kust te bereiken zodat een meerderheid van de opvarenden de ramp overleeft, maar acht mannen van de luchtwachtpost Helmond komen om. Eén Alphense luchtwachter, Johannes van den Buys, was toch in Duinkerken verzeild geraakt. Hij probeerde in te schepen op de Pavon maar raakte daarbij gewond aan zijn voet. Hij werd afgevoerd naar een veldhospitaal, waar zijn voet werd afgezet.
    Op 21 mei worden de luchtwachters uit Alphen overgeplaatst naar St. Idesbald, een enkele kilometers noordelijker gelegen kustdorp. De eerste nacht slapen ze op een stoel in het café, dan nemen ze hun intrek in een kasteeltje aan het strand. Er vliegen doorlopend Duitse toestellen over, de de bommen vallen af en toe akelig dichtbij en de luchtdoelkanonnen dreunen aan een stuk door. Toch volgen hier enkele relatief rustige dagen. ‘ ’s Morgens kunnen we genieten van de gymnastische oefeningen van een nimf op het strand.’ Vrijdag 24 mei is ‘grote wasdag’, en omdat er haast niets te eten is zet Christ van Gorp in de duinen enkele strikken. Hij vangt een kat, een hond en een konijn. Op 26 mei gaan ze in het dorp naar de kerk. Uit Van den Houts dagboek blijkt uit niets dat de luchtwachters nog bepaalde taken toegewezen hebben gekregen. Er is geen instantie of gezag voor luchtwachtmeldingen, er zijn geen communicatiemiddelen en vanwege het enorme aantal vliegtuigen hadden de meldingen hoe dan ook geen nut gehad.
    De evacuatie van de Engelse troepen gaat onverminderd door. Op 28 mei in de ochtend helpen de luchtwachters met het lossen van een Engels munitieschip. Ze zijn er ongeveer drie uur mee bezig en het is hun enige concrete bijdrage aan de oorlogshandelingen. Later die dag maken ze na het eten een ommetje en volgt de fatale beschieting. ‘De ratelende luchtmonsters scheren al schietend over ons heen. De kogels tikken scherp door het struikgewas waaronder we verscholen liggen. Bij deze dekking vindt een Alphenaar nog twee mannen reutelend onder een struik liggen. Het zijn sergeant Blankerts en Aug. Pijnenburg. […] Na een minuut of drie komen ook de andere manschappen naar de stervenden. Vijf Onze Vaders en vijf Weesgegroeten worden gebeden tot zielerust van sergeant Blankerts die intussen is overleden.’
    August Pijnenburg wordt met een vrachtwagen overgebracht naar een overbevolkt noodlazaret in De Panne en bezwijkt een dag later, ‘na geduldig geleden pijn’, aan zijn verwondingen. In de ochtend 31 mei wordt hij ter plaatse, in het bijzijn van vijf kameraden, begraven in een massagraf.
    Er volgen nog enkele dagen met beschietingen en bombardementen en het kasteeltje raakt zwaar beschadigd, maar de rest van de groep blijft ongedeerd. Op 1 juni verschijnen de Duitsers in het dorp. De Nederlanders worden niet krijgsgevangen genomen, maar mogen terugkeren naar huis zoals ze gekomen zijn: op de fiets. In Brugge worden de fietsen gevorderd door de bezetter, ze leggen twintig kilometer te voet af en krijgen dan een vrachtwagen mee van een Duitse commandant. De vrachtwagen begeeft het, ze krijgen een lift van een andere vrachtwagen en in Antwerpen nemen ze de tram naar Turnhout, vanwaar ze te voet verder gaan richting de Nederlandse grens. Op 3 juni worden ze daar met ‘luxe wagens’ opgehaald en vervolgens in Alphen door de bevolking en de burgemeester met een bloemenhulde en klanken van de plaatselijke harmonie binnengehaald. Enkele weken later wordt August Pijnenburg samen met vier elders gesneuvelde militairen uit het dorp herbegraven op een heldenkerkhof tegen de noordwand van de kerk in Alphen.

Pas op de dag voor de herbegrafenis worden zijn kinderen in Huijbergen op de hoogte gesteld van het overlijden van hun vader.
    Pierre van den Hout beeïndigt zijn dagboek met de woorden: ‘In deze enkele dagen hebben wij elkaar in waarachtige zielennaaktheid gezien, en we mogen elkaar, Goddank, recht en eerlijk in de ogen zien; we hebben onszelf niets te verwijten.’ Van den Hout komt op 6 oktober 1944 samen met zijn vader om het leven tijdens zware beschietingen bij de bevrijding van Alphen.


Laatste bericht van August Pijnenburg aan zijn familie (13 mei 1940).
De tekst luidt:
Geachte Familie en Kinderen,
Op 12 mei ben ik tot Hogerheide gekomen en toen verderop. Het is een heel reisje. Zie het allen zo goed mogelijk te stellen. Fons en Toon en André heb ik ook een paar malen bezocht. We zullen maar zien wat er van terecht komt. Ons Lieve Heer zal het wel schikken. We zullen later wel eens zien. Als ge deze kaart ontvangt dan ben ik weer verder op. Ria en Berthol moeten maar zien hoe ze zich redden, maar goed mee helpen werken en op tijd spelen.
August Pijnenburg

Citaten zijn afkomstig uit de dagboekaantekeningen van Pierre van den Hout en het ‘Gedenkboek der Vrijwillige Landstormkorpsen Luchtwachtdienst’ (Sijthoff, 1949). Verder is voor deze reconstructie o.a. gebruik gemaakt van ‘De luchtverdediging in de meidagen van 1940’ (F. Molenaar, Staatsuitgeverij, 1970) en getuigenissen van nabestaanden van August Pijnenburg.

HH

terug