Overbodigheid van een eiland

Ook als ze geen Union Jack-rokje had gedragen had ik meteen gezien dat ze Engels was. Ze had geen sproeten en was niet verbrand, maar toch pik je ze er altijd direct uit. Die koppen.
        Ze had haar hoofd in haar nek gelegd en met gesloten ogen genoot ze van de laatste zonnestralen. Ze zat met haar rug tegen het muurtje van de fontein op het dorpsplein. De fontein was buiten werking en daardoor niet meer dan een cirkelvormig bassin met groen, stinkend water.
        Ik keek naar het rokje en zuchtte. Het was onmogelijk aan de Middellandse Zee op vakantie te gaan zonder mensen uit dat land tegen te komen. We hadden het nog wel geprobeerd. In de Lonely Planet stond bij veel oorden vermeld dat er voornamelijk Britten kwamen; we zochten altijd iets uit waar dat niet bij stond maar eenmaal ter plaatse waren ze er toch. Steevast. Met honderden, duizenden. Vanuit Leeds, Manchester en Birmingham werden ze aangevoerd door een eindeloze zwerm Boeings, gigantische conservenblikken vol bleke, vette regenwormen. Op de zuidelijke stranden kropen ze tevoorschijn en als je er een in tweeën knipte bestelden beide helften een nieuwe pul bier.
        Ze sprak me aan. Had ik staan staren?
        ‘Hey, wheyyafram?’
        Het duurde even voordat ik had ontcijferd dat ze vroeg waar ik vandaan kwam. Ik noemde het eerste het beste land dat me te binnenschoot.
        ‘Joekreen,’ zei ik, en deed een stap dichterbij.
        ‘Oh,’ zei ze, en ze zakte weg in gedachten. Ik voelde de inspanning van haar hersens, op zoek naar een associatie. Zou ze één woord over Oekraïne weten te zeggen? Een stad kunnen noemen; Kiev, Odessa, Lvov? Tsjernobyl misschien? Haar mond zakte open, waarschijnlijk een kenmerk van opperste concentratie.
        ‘Shevchenko!’ riep ze uiteindelijk blij, met opgeheven vinger. Aha. Dus toch een vrouw van de wereld. ‘He’s handsome. You look like him!’
        Ik overwoog te zeggen dat hij mijn broer was, maar had geen zin verzand te raken in onzin. Het liefst zou ik doorlopen, maar haar benen vielen iets uiteen waardoor ik een glimp opving van een roze slipje. Ze klopte uitnodigend op de stoeptegels naast haar en ik ging zitten.
        ‘And you,’ zei ik.
        ‘What?’
        ‘Wheyyáá fram?’ Ik was tenslotte een domme Oekraïner die geen idee had wat dat voor vlag was die zich om haar heupen spande.
        Ze strekte beide armen in de lucht, als een soort hitlergroet in stereo en riep heel hard: ‘Englaaaaand!’
        Vanaf de nabijgelegen terrassen keken normale Europeanen geïrriteerd op, maar aan sommige tafeltjes zaten Engelsen die onmiddellijk het glas hieven in de richting van haar kreet. Ze droegen shirts van het Engelse elftal. Het Engelse elftal hoefde vandaag niet te spelen, morgen ook niet, noch had het gisteren gespeeld. Ze droegen nu eenmaal altijd voetbalshirts, ook in jaren zonder WK of EK. De grootste inkomstenbron van een club als Manchester United zijn niet tv-rechten of recettes, maar merchandising. De club is een van de rijkste ter wereld omdat al die imbecielen daar dag in dag uit in Vodafone-shirts rondlopen van 80 pond per stuk.
        Ik keek voorzichtig naar haar. Ze stonk naar zweet en alcohol en ik zag dat ze ouder was dan ik aanvankelijk had gedacht, haar decolleté was een rimpelige bende. Ik moest het gesprek, of wat daarvoor door moest gaan, een nieuwe impuls geven. Zou ik het compliment retourneren en zeggen dat zij op haar landgenote Lady Di leek, een lijk in verregaande staat van ontbinding? Misschien lag het meer voor de hand een voetballer uit haar land te noemen, dat had zij tenslotte ook gedaan.
        ‘Wayne Rooney,’ zei ik, en ik glimlachte om het contrast tussen de aristocratische trekken van Shevchenko en de surrealistische lelijkheid van Rooney, een kop die zelfs Gummbah niet had kunnen verzinnen. Wayne Rooney, ja, die zat. Oekraïne-Engeland, 1-0.
        ‘Yeah, Rooney, he’s fokkin’ great.’
        Nu pas kreeg ze de geheven glazen op het terras in de gaten, en ze riep nogmaals nogmaals de naam van dat land. De bierdrinkers begonnen ‘England’ terug te roepen. Wat is dat toch, dat mensen trotser zijn naarmate ze daar minder aanleiding voor is? Volgens een allang niet meer vol te houden mythe bestaat Engeland uit lieflijk groene heuvels, vossenjacht, high tea, Marmite, tuinieren en Agatha Christie, maar in werkelijkheid is het een open riool vol hooligans, overgewicht, incest, werkloze alcoholisten en drie keer fokkin’ in elke zin. Maar in plaats van zich in de bloody regen op dat vervoekte eiland te gaan zitten schamen, trekken de bewoners hun voetbalshirt aan om op het vasteland heel hard ‘England’ te gaan roepen.
        Ik dacht aan een beeld van het EK 2000, toen Engelse hooligans de binnenstad van Charleroi afbraken. Een al wat oudere hooligan met baard en een ontbloot bovenlijf waarop Keltische kruizen waren getatoeëerd, werd gevraagd waarom dit allemaal nodig was. Op de achtergrond vlogen de terrasstoelen door de ruiten van een Waalse brasserie en de man antwoordde: ‘Cos I’m fokkin’ proud. Fokkin’ proud of me country.’
        Toen begreep ik het; Engelsen willen niet geliefd zijn maar gehaat, niet bewonderd worden maar gevreesd.
        Later kwam de oudere hooligan nogmaals in beeld, terwijl hij bloedend en geboeid op de grond klaarlag om door de Rijkswacht te worden afgevoerd. Hij zei tegen een agent dat hij fokkin’ respect moest tonen, want tenslotte waren het de Engelsen geweest die in de Tweede Wereldoorlog this bloody fokkin’ country hadden bevrijd.
        Sindsdien juich ik harder wanneer Engeland verliest dan wanneer Nederland wint. Ze zijn zo dom. Zo lelijk. Ze willen het zo graag. In het stadion zetten ze het volkslied in, niet alleen voor maar ook tijdens de wedstrijd.
        ‘I hate England,’ zei ik zacht, en daarna nog een keer, nu iets harder: ‘I hate England.’
        Naast me hoorde ik een zucht, een groezelige keelklank. Ik ging ervan uit dat ze ‘why?’ probeerde te zeggen.
        ‘Because of people like you,’ zei ik.
        Daar was ze stil van. Ik had meteen een beetje spijt. Laf hoor, zei ik tegen mezelf, als ik lef had moest ik naar dat tafeltje met de geheven glazen lopen en mijn woorden herhalen.
        Haar hoofd gleed tegen mijn schouder. Op het strand had ik de nieuwste Houellebecq gelezen en ik was er behoorlijk depressief van geworden. Meer dan 400 pagina’s over moreel verval, lichamelijke aftakeling en seksuele uitzichtloosheid. Ik zuchtte. Zou ik van de situatie gebruik maken? Waarom eigenlijk niet? Er schenen ook mannen te zijn die zich bij gebrek aan beter vergrepen aan schapen en geiten.
        Ik sloeg een arm om haar heen. Haar lichaam voelde slap, haar hoofd gleed omlaag en kwam tot rust in mijn schoot. Nu merkte ik pas dat ze haar ogen dicht had en zachtjes snurkte.
        Iemand schopte tegen haar benen. Ik keek op en zag een shirt van Liverpool, daarboven een dikke nek met een klein, kaal hoofd erop. De man hield in elke hand een cheeseburger. In zijn rechterhand zelfs twee, waarvan er een al half opgegeten was.
        ‘Ow, com’on, Sharon, I got your fokkin’ food! Eat up, bitch, and we’ll go drinkin’!’
        Toen keek hij naar mij, alsof hij me nu pas waarnam. Hij gaat me slaan, dacht ik, ik zit aan zijn vrouw, hij is een primaat en dus gaat hij me slaan. Het is dat hij die broodjes nog in zijn handen had, anders zou hij me bij mijn shirt overeind trekken en me in het fonteintje gooien. Hij snoof en opende zijn mond, ja, het was duidelijk dat hij iets ging zeggen. Er zat ketchup in zijn mondhoeken.
        ‘Wheyyafram?’

HH

terug